Genderneutraal opvoeden doe je (niet) zo


In Zweden duiden sommige scholen hun peuters niet meer aan met ‘hij’ of ‘zij’. De Hema stopt met onderscheid maken tussen jongens- en meisjeskleding. Opvoeden zonder gendernormen is zeer actueel; maar eenvoudig is het niet.

Is het een jongen of een meisje? Veel ouders kennen het verlossende antwoord al dankzij de 20-weken echo. Steeds meer ouders organiseren vóór de geboorte ook een gender reveal party, een trend die is overgewaaid uit Amerika. Op een feestje wordt het geslacht van de verwachte baby met veel roze of blauw onthuld.

Die kleuren hebben niks te maken met een aangeboren lichamelijk verschil tussen de twee, het geslacht. Maar wel alles met gender: culturele ideeën over wat voor meisjes is en wat voor jongens. Gendernormen willen nog weleens veranderen. Zo was het vóór de jaren veertig juist gebruikelijk dat jongens roze droegen. Blauw was delicaat en paste beter bij meisjes. Maar gendernormen gaan natuurlijk over veel meer dan kleding; ze gaan ook over gedrag, over emoties en over talenten.

Onbewuste mechanismen

Hoe geven ouders ideeën over gender mee aan hun kinderen, vroeg Judi Mesman, hoogleraar diversiteit in opvoeding en ontwikkeling, zich af. Ze volgde vier jaar lang 390 gezinnen voor het onderzoek Boys will be boys?
De uitkomst was opvallend: de meeste ouders gaven aan helemaal geen onderscheid te willen maken in de opvoeding van jongens en meisjes, maar bleken dat in de praktijk toch te doen. Ze ‘leerden’ hun kinderen vaak onbewust op allerlei manieren wat geaccepteerd gedrag is voor meisjes en voor jongens. Op de weg naar genderneutraal opvoeden liggen namelijk valkuilen: allerlei belemmerende mechanismen waar we geen erg in hebben. Dit zijn de vier belangrijkste.

Valkuil 1:
Afkeuren van ‘verkeerde’ activiteiten

Jongens mogen best met poppen spelen. En het is prima als een meisje op een skateboard stapt. Toch? Ondertussen laten we, zonder het te willen, op subtiele wijze merken dat dat niet ‘hoort’.
Hoogleraar Mesman ontwikkelde een speciaal platenboek. Op de illustraties waren jongens verwikkeld in stereotypische jongenshobby’s als skateboarden en meisjes in activiteiten als spelen met poppen. Op sommige platen waren de kinderen en de activiteiten omgedraaid: deze voldeden juist niet aan het stereotype. Bij een plaat die overeenkwam met een genderstereotype gebruikten moeders tegenover hun kinderen meer positieve woorden als ‘ah wat leuk!’, ‘knap’ en ‘gezellig’. Op niet-stereotiepe afbeeldingen reageerden ouders een stuk minder geestdriftig. Mesman licht toe: ‘Net als dat je – zonder je daarvan bewust te zijn – iets enthousiaster kunt reageren als je zoontje in de Bart Smit op een vrachtwagen afrent dan wanneer hij een Baby Born uit de schappen pakt.’
Veel ouders hebben ook de neiging om hun huis te vullen met stereotiepe spullen, zegt psycholoog en universitair docent Joyce Endendijk, die promoveerde op de genderontwikkeling van kinderen. Dat komt niet in de laatste plaats doordat die spullen overal op die manier (‘speciaal voor meisjes’, ‘speciaal voor jongens’) worden aangeboden. Resultaat is dat meisjes het sprookje van Doornroosje lezen, terwijl jongens elkaar beschieten, verkleed als hun actiehelden.

Valkuil 2:
inschatten van kracht bij jongens en meisjes

Meisjes vinden we lief en jongens zijn stoer. Zelfs als ze nog maar net geboren zijn. Een Amerikaans onderzoek laat zien dat al vlak na de bevalling ouders hun meisjes vaker liefkozend als ‘mooi’ en ‘lief’ bestempelen en jongensbaby’s als ‘groot’ en ‘sterk’. Ook als er geen meetbaar verschil in hun gedrag was.
Het blijft niet bij liefkozende woorden. Ouders schatten hun zoons stoerder en sterker in. Toen een groep moeders gevraagd werd of hun kind van elf maanden een hellinkje kon afkruipen, werd van de jongetjes gedacht dat ze meer durf zouden hebben én het beter zouden kunnen. De onderzoekers namen de proef op de som. In werkelijkheid was er geen verschil in de kruipcapaciteiten van de kleintjes. De meisjes werden dus onderschat, de jongens overschat.

Valkuil 3:
Emoties speciaal voor meisjes en voor jongens

Echte mannen huilen niet. En vrouwen praten graag over hun gevoel. Clichés waaraan je je niet schuldig maakt? Mesman ontdekte van wel. Stereotypen over hoe mannen en vrouwen met emoties omgaan, krijgen kinderen met de paplepel ingegoten. Een ander platenboek uit het onderzoek van Mesman toonde afbeeldingen van genderneutrale personages, die zowel jongen als meisje konden zijn, met verschillende emoties. Ouders noemden het boze kind systematisch ‘hij’. Het verdrietige kindje werd steevast een meisje genoemd. ‘Niemand zegt dat jongetjes niet mogen huilen en meisjes niet boos mogen zijn, maar impliciet is dat wel de boodschap,’ zegt Mesman.
Woede wordt meer geaccepteerd bij jongens, blijkt ook uit een experiment uit de jaren negentig. In een nagebouwd appartement in een laboratorium brachten moeders met hun twee kinderen een aantal halve dagen door. Camera’s legden de interactie tussen moeder en kinderen vast en de emoties van de deelnemers werden minutieus bestudeerd. Wat bleek? Boze jongens kregen vaker hun zin dan boze meisjes. Jongens kregen ook meer aandacht voor hun kwaadheid en ofschoon ze te horen kregen dat hun boosheid ‘buitengewoon’ was, waren de moeders inschikkelijk. De woede van meisjes werd meestal genegeerd of afgestraft met de strenge aanmaning direct met het gedrag te stoppen.
Zoveel ruimte als woede krijgt bij jongens, zo weinig plaats is er voor andere emoties. In een vragenlijst gaven ouders aan hun zoons te stimuleren om emoties onder controle te houden, vooral ‘onmannelijke emoties’ als verdriet en angst. Het is een wereld van verschil met de opvoeding van dochters. Dat blijkt uit gesprekken tussen ouders en peuters van 3 jaar oud over de laatste keer dat de kinderen verdriet voelden. Zowel vaders als moeders praten met hun dochters in veel rijkere bewoordingen over deze emotionele ervaring dan met hun zoons.

Valkuil 4:
Angst voor meisjesachtige jongens

Een jongensachtig meisje dat in bomen klimt en geen jurken aan wil, vinden de meeste ouders best stoer. In een kwalitatief onderzoek waarvoor 42 ouders over hun kleuters werden geïnterviewd, verwoordt een moeder de mening van meer ouders: ‘Ik heb nooit een meisje gewild dat een kleine prinses is, zó breekbaar. Ik wil graag dat ze wat masculiene eigenschappen ontwikkelt.’
Andersom ligt dat ingewikkelder. Een meisjesachtige jongen die het liefst roze aan wil en graag zijn nagels lakt? Veel ouders hebben daar moeite mee. Een moeder zegt in hetzelfde onderzoek over haar zoon: ‘Hij houdt van roze en ik probeer hem daarin niet aan te moedigen, want weet je, hij is geen meisje.’ Vooral heteroseksuele vaders keurden ‘meisjesachtige’ eigenschappen bij hun zoons af.
Meisjes kunnen op vele manieren meisje zijn, ook als ze zich jongensachtig gedragen. We twijfelen niet aan hun vrouwelijkheid. Bij mannen ligt dat anders. Mesman: ‘Gedragen ze zich te vrouwelijk, dan ligt veel sneller de dreiging voor het “verliezen” van mannelijkheid op de loer.’

Talenten ontwikkelen

Is het erg dat we meisjes en jongens anders opvoeden? Een lastige en vooral ideologische vraag waarover de meningen verschillen. ‘Opvoeding is de voorbereiding op een succesvol volwassen leven en de maatschappij is nu eenmaal doordrongen van gender,’ zegt Mesman. ‘Er zijn ouders die een stereotyperende opvoeding om die reden beter vinden.’
Een situatie waarin opvoeden volgens gendernormen wel schadelijk kan zijn, is wanneer ouders de kwaliteiten van hun kind onderschatten omdat het stereotype ten gunste is van het andere geslacht. Als een meisje bijvoorbeeld goede cijfers voor wiskunde haalt, kan ze tóch denken dat ze er niet goed in is, deels omdat haar ouders dat denken. Ze zal minder snel geneigd zijn voor een wiskundige studie te kiezen.
De verwachting van de omgeving dat meisjes daar niet goed in zijn, kan ook leiden tot slechtere prestaties. Noem een wiskundetest een tekentest en meisjes scoren een stuk beter, blijkt uit onderzoek. Endendijk: ‘Door verwachtingen van de omgeving scoren jongens beter op wiskundetoetsen. Ouders stimuleren hun zoons ook meer bij hun wiskundehuiswerk. Door dit soort genderstereotypen ontwikkelen veel jongens en meisjes zich volgens de verwachtingen, niet conform hun talenten.’
Zulke kwalijke gevolgen kunnen best worden beperkt als ouders zich iets meer bewust worden van hun eigen stereotiepe denkbeelden en hun ogen openhouden voor de interesses en talenten van kinderen. Maar in geen enkele onbewuste valkuil trappen is onmogelijk. En soms is zo’n prinsessenjurk voor je schattige dochter of batmanpak voor die stoere zoon ook gewoon té leuk. //

Oorzaak of gevolg?

Behandelen ouders hun zoons en dochters verschillend vanwege hun eigen ideeën over gender? Of is het een reactie op het gedrag van hun kind? Want kleine biologische verschillen tussen jongens en meisjes zijn er wel degelijk: jongensbaby’s worden in de baarmoeder bijvoorbeeld blootgesteld aan een stoot testosteron. ‘Maar tot de puberteit zijn er nauwelijks fysieke verschillen tussen jongens en meisjes,’ zegt ontwikkelingsexpert Judi Mesman. Pas dan gaan de hormonen door het lijf gieren. Toch zullen veel ouders herkennen dat hun kind zélf al op jonge leeftijd sterke voorkeuren heeft. De kip-eivraag over genderopvoeding houdt wetenschappers al decennia bezig en er bestaat nog geen definitief antwoord op.

Mijn zoon wil in een prinsessenjurk naar school

Wat doe je dan als ouder? Leg je je zoon gendernormen op en weiger je hem de jurk naar school te laten dragen? Of sta je het toe, met het risico dat hij gepest wordt? Bespreek het met je kind, adviseert hoogleraar Judi Mesman. ‘Leg hem uit dat er mensen zijn die het misschien raar vinden. Maar vertel ook dat het eigenlijk best gek is dat alleen meisjes zulke jurken dragen, want jongens kunnen natuurlijk ook een prinsessenjurk aan. Zo wordt het een onderwerp waar je kind zich bewust van wordt.’ Het sleutelwoord is weerbaarheid, zegt Mesman, dus schat in hoe groot die is en help hem vergroten. ‘Je kunt je zoon beschermen tegen mogelijk pestgedrag door te zeggen dat de jurk alleen thuis aan mag. Maar je kunt hem ook zijn gang laten gaan en zelf de keus laten maken.’

Gabriël (3) wordt vrij van genderrollen opgevoed – althans, zijn moeder probeert het, maar vermoedt dat hij op de voorschool andere ideeën oppikt.

‘Dit is Harry, mijn pop. Ik ben de vader van Harry. Hij is mijn zoon en mama is zijn oma. Soms is Harry verdrietig, dan troost ik hem. Vroeger ging Harry met me mee in de draagdoek. Maar nu is hij daar te oud voor.
Ik speel graag met mijn auto’s. Daar race ik mee. Ik heb veel verschillende soorten. De meeste zijn rood, zoals deze brandweerwagen en de shovel. Rood is namelijk mijn lievelingskleur. Maar ik houd ook van groen. Weet je waarom? Omdat het de kleuren van het stoplicht zijn! Later wil ik brandweerman worden en in de garage werken.
Als ik met mijn vriendinnetjes speel, doen we vaak vadertje en moedertje. Om de beurt zijn we de baby. Soms speel ik de moeder en soms ben ik de vader. Ik hou niet van nagels lakken, want dat is voor meisjes. Maar mijn haar wil ik wel lang laten groeien, net als dat van mama. Dat is lekker warm.’

Voor Liv (5) kan het niet roze genoeg. Alleen haar slaapkamer heeft een andere kleur, omdat ze die deelt met haar broertje.

‘Ik hou alleen van meisjesdingen, zoals turnen, dansen en nagels lakken. Laatst deed ik mee aan een prinsessenwedstrijd. Ik droeg een paarse jurk en zwaaide als een echte prinses. Roze was altijd mijn lievelingskleur, maar door die jurk vind ik paars nu mooier. Wist je dat Nederland drie kleine prinsesjes heeft?
Mijn slaapkamer deel ik met mijn broertje. Mama had een blauw kleed op de vloer gelegd. Toen was ik boos, want blauw is voor jongens. Als Ezra en ik vroeg wakker zijn, verkleed ik hem als prinses. Ik vind mezelf verkleden ook leuk. Het liefst trek ik dan mama’s hakschoenen aan.
Mijn glitterschatten bewaar ik in mijn schatkistje. Als het deksel omhooggaat, komt er een dansende ballerina uit. Ik heb ook een grote doos vol met meisjeslego. Daarmee maak ik een huis of een paardenstal. Later wil ik dierenarts worden. Ik maak alle zieke dieren beter. Wij hebben thuis geen echte dieren, maar gelukkig wel een knuffelkonijn en een poes met glitterogen.’

Psychologie Magazine, december 2017